Hoe benader je als maatschappelijk werker een slecht functionerend vluchtelingengezin?
· Waar vind ik een hulpverlener die uit het zelfde land van de vluchteling komt, of dezelfde taal spreekt?
Vaak zien hulpverleners dit als een oplossing voor taal- en communicatieproblemen of verwachten zij dat vluchtelingen landgenoten beter begrijpen.
Bovenstaande vraag roept andere vragen op. Wil de cliënt zelf door landgenoten behandeld worden of is het de opvatting van de vraagsteller? Komt de vraag voort uit onvermogen of weerstand om de vluchteling en zijn problematiek te begrijpen of om met een tolk te werken? Zijn er reële verwachtingen ten aanzien van zo'n hulpverlener?
De huidige realiteit is dat hulpverlening door landgenoten vaak niet beschikbaar is. Slechts een beperkt aantal migranten en vluchtelingen heeft een baan als professioneel hulpverlener. Vaak zijn ze dan gebonden aan een bepaalde werksetting en regio, en daarmee niet of beperkt beschikbaar voor hulpverlening aan land- of taalgenoten. Als de mogelijkheid er wel is, moet er zeker gebruik van worden gemaakt. Het is dan wel zaak te onderkennen dat hulpverlening aan landgenoten een sterk appèl kan doen op betrokken hulpverlener en er voor te waken dat dit soort hulp niet slechts tot een zaak van die ene hulpverlener wordt gemaakt. De ervaring leert dat dit een voedingsbodem voor frustratie en burn-outs is. Ook komt het voor dat schaamte om gevoelige onderwerpen te bespreken soms sterker is bij landgenoten dan bij niet-landgenoten.
Wel zijn er sociale netwerken van landgenoten en de zelforganisaties. In de mantelzorg kan deze ondersteuning van onschatbare waarde zijn. Het kan in sommige situaties goed zijn deze kanalen te gebruiken bij de hulpverlening. Adressen van (lokale) zelforganisaties zijn via Vluchtelingen Organisaties Nederland (VON) opvraagbaar.
Al met al is er vaak geen kant-en-klaar antwoord op de vraag naar een hulpverlenende landgenoot. Het is de ervaring van Pharos dat een groot aantal problemen van vluchtelingen behandeld kunnen worden door reguliere hulpverleners met reguliere methodieken, al dan niet gesteund door derden in de vorm van consultatie of scholing. Daarbij is aandacht voor een optimale communicatie met of zonder tolk wel een harde voorwaarde.
Eigenlijk zou het zo moeten zijn dat Nederlandse zorginstellingen zo multicultureel ingericht zijn dat het overbodig is om voor individuele cliënten het hele land af te zoeken naar hulpverleners die vluchtelingen begrijpen en helpen.
· Iemand in mijn omgeving is vluchteling en heeft hulp nodig. Kan hij of zij zich bij Pharos aanmelden voor behandeling of begeleiding?
Pharos biedt geen directe hulp aan vluchtelingen. Indien u uzelf of iemand anders wilt aanmelden voor hulp kunt u dat doen bij maatschappelijk werk of bij de plaatselijke vestiging van VluchtelingenWerk, of via de huisarts bij een plaatselijk GGZ instelling.
Tot 1 oktober 2001 vond er bij de afdeling Zorgverlening van Pharos begeleiding en behandeling van vluchtelingen plaats. De afdeling is overgenomen door Centrum '45.
De Vonk, onderdeel van Centrum '45, is een in behandeling van vluchtelingen gespecialiseerde instelling, met vestigingen in Noordwijkerhout en, sinds 1 oktober 2001, in Amsterdam.
www.centrum45.nl
· Kunnen vluchtelingen en asielzoekers het beste door gespecialiseerde hulpverleners worden geholpen?
Vaak komt de vraag naar gespecialiseerde hulp voort uit een gevoel te weinig kennis en ervaring te hebben op het gebied van hulpverlening aan vluchtelingen. Dit gevoel van onvoldoende deskundigheid kan betrekking hebben op de inhoud van de problematiek (bijvoorbeeld traumatisering, meervoudige problematiek of onbegrepen lichamelijke klachten), maar ook op het proces (bijvoorbeeld interculturele communicatie of werken met tolken). Verwijzing naar een gespecialiseerde instelling of hulpverlener wordt dan gezien als oplossing. Er zijn een aantal redenen om kritisch naar deze ogenschijnlijk logische stap te kijken.
Allereerst draagt Pharos uit dat 'gewone', dat wil zeggen reguliere, hulpverleners met hun normale werkwijze en vaardigheden veel kunnen betekenen voor vluchtelingen. Veel vluchtelingen worden goed geholpen door hun huisarts, het plaatselijk maatschappelijk werk of de instelling voor geestelijke gezondheidszorg in de buurt. Daarbij is het natuurlijk van belang dat deze hulpverleners oog hebben voor de specifieke kanten van de problematiek en de communicatie. Het spreidingsbeleid ten aanzien van de huisvesting van asielzoekers en vluchtelingen heeft ertoe geleid dat de afgelopen tien jaar steeds meer reguliere hulpverleners te maken kregen met deze doelgroep. Het overheidsbeleid is daar ook op gericht. Het integratiebeleid geldt ook voor de gezondheidszorg aan deze doelgroep. In principe moeten asielzoekers en vluchtelingen, net als Nederlanders, hun hulp dicht bij huis betrekken, te beginnen bij de eerstelijn. Pharos bevordert deze visie door het instellen van de helpdesk en het geven van scholingen en cursussen aan instellingen en beroepsgroepen
Ten tweede is duidelijk zichtbaar dat de reguliere instellingen in de afgelopen tien jaar toegankelijker zijn geworden voor vluchtelingen en asielzoekers, zowel in kwantitatieve als kwalitatieve zin. In veel regio's hebben instellingen hun verantwoordelijk genomen voor deze nieuwe doelgroep. Zo ontstaat langzamerhand ervaring en deskundigheid.
Ten derde zijn er slechts beperkte verwijsmogelijkheden naar instellingen die in vluchtelingen zijn gespecialiseerd. De Vonk (Centrum '45), Phoenix (De Gelderse Roos) CGV Winschoten (GGZ Groningen) en De Evenaar (GGZ Drenthe) bieden ambulante en (poli- en dag-) klinische behandeling.
Deze instellingen met beperkte capaciteit zijn genoodzaakt hun inspanningen te richten op die complexe problematiek waar andere hulpverleners niet uitkomen of waar noodzakelijke hulpverlening niet tot stand komt.
Bij een aanmelding zal daarom eerst besproken worden of de lokale en regionale hulpverleningsmogelijkheden benut zijn en zal worden ingegaan op de inhoud en het proces van de hulpverlening. In een aantal gevallen kan een hulpverlener door inhoudelijke adviezen en tips zelf of samen met anderen in de gemeente verder. En in sommige gevallen is het duidelijk dat gespecialiseerde hulp nodig is.
· Kan een medisch rapport helpen in de asielprocedure? En waar kan zo'n medische verklaring voor een asielzoeker worden opgesteld?
Voor het maken van medische verklaringen en rapportages geldt in Nederland een aantal regels. De beoordeling en de behandeling van medische problemen zijn wettelijk strikt gescheiden. Dit geldt voor bijzondere voorzieningen, verzekeringen en ziekte, en dus ook voor de asielprocedure. Alleen onafhankelijke artsen kunnen een waardeoordeel geven dat een ander doel dient dan behandeling of begeleiding. Deze afspraak is gemaakt om de vertrouwensrelatie tussen behandelaar en patiënt niet onder druk te zetten en omdat deze vertrouwensrelatie een objectieve oordeelsvorming belemmert.
Voor de praktijk is het onderscheid belangrijk of het om een asielzoeker gaat die al behandeld wordt of één die niet onder medische behandeling staat. Bij een lopende behandeling geldt de volgende procedure. De advocaat meldt deze behandeling aan de Immigratie- en Naturalisatie Dienst (IND). Voor het beoordelen van medische zaken tijdens de asielprocedure bestaat erbij de IND een Bureau Medische Advisering. Daar beoordelen onafhankelijke artsen op verzoek van de IND vragen en informatie van medische aard over asielzoekers, maar ook van andere vreemdelingen. Hiervoor moet de betrokken asielzoeker uiteraard toestemming geven. De Vreemdelingenwet heeft enkele speciale bepalingen voor medische zaken, zoals een uitstel van uitzetting of een vergunning tot verblijf om medische reden. Als een asielzoeker in Nederland een medische behandeling ondergaat kan een arts van dit bureau gevraagd worden te beoordelen of de medische problematiek een normale afwikkeling van de asielprocedure belemmert of dat er medische redenen zijn om een asielzoeker hier in Nederland te laten blijven. Het oordeel van deze arts zal mede gebaseerd zijn op informatie die hij verzamelt bij behandelende artsen of andere hulpverleners. Deze informatie dient alleen medische gegevens van feitelijke aard te bevatten die een behandelaar vanuit de beroepsmatige kennis kan geven. Op basis van deze informatie geeft de arts van het Bureau Medische Advisering een advies aan de IND, die dit moet betrekken bij de beslissing over de aanvraag voor asiel of verblijfsvergunning.
Als het om een asielzoeker gaat die niet medisch behandeld wordt, is het vaak lastig om artsen of andere hulpverleners bereid te vinden een verklaring of rapportage te maken. Alleen artsen die aangesloten zijn bij de Medische Onderzoeksgroep van Amnesty International, maken rapportages voor asielzoekers en hun advocaten in het kader van het verzamelen van bewijslast van mensenrechtenschendingen. Deze kunnen aangevraagd worden bij Amnesty International, die zelf eerst juridisch beoordeelt of er voldoende aanwijzingen zijn voor vluchtelingenschap. In een aantal gevallen kan het bestaan van littekens en andere medische problemen een vluchtverhaal ondersteunen en aannemelijker maken en als extra bewijslast gelden.
Door de toename van medische adviezen in asielprocedures is het mogelijk dat procedures in de toekomst veranderd zullen worden
· Heeft het zin een vluchtelingenkind een Nederlandse intelligentie test te laten maken? En wat zegt de uitslag van zo'n test?
Er bestaan geen aparte testen voor vluchtelingenkinderen. We moeten het dus doen met de beschikbare testen. Dat maakt het belangrijk te beseffen dat het IQ-cijfer een omstreden en cultuurbepaald begrip is. Voor migranten- en vluchtelingenkinderen ontbreekt een normgroep van de eigen culturele achtergrond, waarmee de prestaties van het geteste kind kunnen worden vergeleken. Er kan een cijfer worden berekend, maar dat is alleen te vergelijken met een norm voor Nederlandse kinderen. Daarom kan er geen grote waarde aan worden gehecht. Sommige testen zijn aangepast of speciaal ontwikkeld voor migranten, zoals de Leertest Etnische Minderheden. Een dergelijke test kan meer houvast geven bij het beoordelen van intelligentie en leervermogen van kinderen met een vluchtelingenachtergrond dan een klassieke test.
Een test kan gebruikt worden als middel om in gesprek te komen met een kind en biedt een gestructureerde manier van observeren. Hij kan een beeld geven van hoe het kind zijn of haar werkelijkheid construeert en daarmee omgaat. Door de test na enige tijd te herhalen is het ook mogelijk te bepalen of het kind in de tussentijd iets heeft geleerd. Maar een gebrekkige woordenschat bemoeilijkt de afname en de interpretatie van de test. Dit geldt destemeer voor kinderen die nog nooit naar school zijn geweest. Het komt voor dat een kind de indruk maakt meer dan gemiddeld intelligent te zijn, terwijl het volgens de test toch op zwakbegaafd niveau functioneert. Voor dit probleem zijn geen kant en klare oplossingen.
Als kinderen ingrijpende ervaringen hebben meegemaakt in de vorm van oorlog, geweld tegen familieleden, verlies van vriendjes en vertrouwde omgeving, kan dit van invloed zijn op hun cognitieve ontwikkeling en leerprestaties. Belangrijker misschien nog dan de ervaringen uit het verleden is de invloed van de huidige situatie van het kind: onzekerheid over verblijf in Nederland, (on)veiligheid, ouderlijke steun en sociale contacten met leeftijdgenoten - op concentratievermogen en leerprestaties.
Dit alles tezamen maakt het belangrijk om geen absolute waarde aan testen toe te kennen en het professionele inzicht, de eigen ervaring en creatieve oplossingen te benutten bij de problemen die zich voordoen. Bij de oordeelsvorming over de intelligentie van een vluchtelingenkind zijn begrip en geduld van groot belang. Inzet dient te zijn de ontwikkeling van het kind te stimuleren.
Pharos heeft literatuuronderzoek over dit onderwerp gedaan. Hierover is de publicatie Het testen van vluchtelingenkinderen (Bertien den Brok, 1996) verschenen.
· Kan het moeilijke gedrag van een alleenstaande minderjarige asielzoeker te maken hebben met zijn trauma's? En hoe kom je daar achter?
Alleenstaande minderjarige asielzoekers (ama's) zijn in psychosociale zin kwetsbaar omdat zij de veilige omgeving van hun familie en gezin moeten missen. Dit komt bovenop de ballast van de verliezen en schokkende ervaringen die ze hebben meegemaakt in hun land van herkomst en tijdens de vlucht.
Het is zelden zo dat een traumatische gebeurtenis alleen een bepaald soort gedrag kan verklaren. Gedrag is immers de resultante van diverse factoren, zoals aanleg, persoonlijkheid, opvoeding, ervaringen in het verleden, culturele achtergrond, intelligentie, sociale situatie van vroeger en nu en huidige (gezondheids)problemen. Ook ama's gaan op individueel zeer verschillende manieren om met hun doorgemaakte ervaringen en hun situatie in het heden. Het is dus als betrokkene bij zo'n jongere van belang zicht te krijgen op deze factoren. Hiervoor is het nodig in gesprek te komen met de jongere over zijn gedrag en bovengenoemde factoren. Het gaat dan om praten over het verleden: de situatie in het land van herkomst, het gezin en de kwaliteit van de relaties onderling, de vroegere schoolervaringen, hoe de jongere vroeger was. Maar ook over het heden: hoe voelt de jongere zich, huidig functioneren, slapen, eten, sociale contacten, gedrag elders, 'in hoeverre dringt het verleden zich op in het heden'?
Als er sprake is van moeilijk gedrag merk je bij navraag vaak dat er ook op andere gebieden symptomen of problemen zijn. Met de zo verkregen informatie kan dan een inschatting worden gemaakt van de achtergrond van bepaald gedrag en kunnen de benodigde stappen gemaakt worden, bijvoorbeeld testen, gerichte begeleiding of verwijzing.
Dit in kaart brengen en een eerste inschatting maken van mogelijke achtergronden van problemen is vanzelfsprekend niet makkelijk. Soms weten betrokkenen niet of het wel verstandig is om over achtergronden te praten. Een gesprek over zaken die in het heden spelen is dan vaak minder bedreigend, bovendien concreter, en geeft ook aanwijzingen die kunnen helpen bij het inschatten van ernst en achtergrond van gedrag. Als bijvoorbeeld bekend is dat een ama goed slaapt, niet veel met het verleden bezig is en niet droomt over nare ervaringen uit het verleden (zonder hier verder inhoudelijk op in te gaan), dan laat dit zien dat 'het verleden zich niet opdringt aan het heden'.
Maar als een ama ernstige gedragsproblemen heeft, niet wil praten, slecht functioneert, weinig sociale contacten heeft en als het niet lukt om een (vertrouwens)relatie met hem of haar op te bouwen, dan is het raadzaam om te overleggen met en ondersteuning te vragen van deskundigen, die er gelukkig langzamerhand steeds meer zijn in den lande.
· Hoe help ik een asielzoeker die door het lange wachten in een azc psychische problemen ontwikkelt?
Een vrijwilliger begeleidt een asielzoeker in het azc, die de laatste tijd geestelijk achteruitgaat. Hij is apathisch, hangt hele dagen voor de televisie en slaapt slecht. Van de arts in het azc heeft hij slaaptabletten gekregen, die hij af en toe neemt. De vrijwilliger vraagt zich af of deze man geen verdere hulp moet krijgen.
Deze problematiek zien we vaker in de azc's, waar asielzoekers door het lange wachten in angstige onzekerheid en onder moeilijke verblijfsomstandigheden psychische problemen ontwikkelen. Deze factoren komen bovenop de al aanwezige rouw over alles wat men verloren heeft, en de trauma's, Bij sommige asielzoekers gaat deze situatie, wanneer deze lang aanhoudt, hun draagkracht te boven. Zij worden ziek en krijgen lichamelijke klachten en psychische problemen.
Als vrijwilliger kun je naast je ondersteunende en begeleidende rol ook een taak hebben in het signaleren van een zorgelijke toestand. Het is dan zaak om de signalen goed in kaart te brengen en te overleggen met andere betrokkenen in het azc (COA, Medische Opvang, maatschappelijk werk), die vanuit hun taak en professie verantwoordelijk zijn voor gezondheid en welzijn van de mensen in het azc.
Bij deze man is het belangrijk eerst na te gaan of het hier gaat om de boven beschreven langzame vorm van uitputting, die veel parallellen vertoont met een depressie. Het slechter slapen en de apathie kunnen daarbij horen. Het kan ook zijn dat er een directere aanleiding is, bijvoorbeeld een slecht bericht uit het land van herkomst, over de familie of de asielprocedure, of ruzie in het azc. Het is ook belangrijk met de man te bespreken hoe hij zelf over zijn toestand denkt, wat hij doet op een dag, wat hem kan helpen en of anderen hem hierbij kunnen helpen.
Vanwege de slaappillen die de man heeft gekregen ligt het voor de hand contact op te nemen met de arts. In eerste instantie moet de vrijwilliger de man stimuleren dit zelf te doen. Soms kan iemand geholpen worden door mee te gaan naar een afspraak. Als de man de zin van dit contact niet inziet of eenvoudigweg niet wil gaan, kan het nodig zijn als vrijwilliger zelfcontact met de arts op te nemen, de zorgen uit te spreken en de signalen te bespreken. Soms is een outreachende benadering nodig, omdat asielzoekers niet gewend zijn om voor psychische problemen bij professionele hulpverleners aan te kloppen.
De vrijwilliger dient bij dit alles de grenzen van het eigen handelen goed te bewaken. Het is onontbeerlijk dat zij voor overleg, advies en verwijzing kunnen terugvallen op een netwerk van hulpverleners.
· Hoe ga ik als hulpverlener om met een dreigende uitzetting van mijn cliënt?
Een psycholoog van een Riagg behandelt een 38-jarige man uit Azerbeidjan, die al drie jaar in een asielzoekerscentrum (azc) verblijft. De man heeft depressieve en post-traumatische klachten, gevolg van gevangenschap en martelingen. Nu is zijn asielaanvraag definitief afgewezen. Binnenkort moet hij het azc verlaten en terugkeren naar zijn eigen land. De psycholoog vraagt hoe hij met deze situatie moet omgaan en of hij nog iets kan doen.
Door de invoering van de strengere nieuwe Vreemdelingenwet in april 2001 komen situaties zoals beschreven steeds vaker voor. Ze kunnen bij de cliënt én bij de hulpverlener onmachtgevoelens oproepen. De reactie van de hulpverlener kan variëren van verontwaardiging en actiebereidheid tot berusting en afstand nemen. Bij deze psycholoog overheerst de verontwaardiging. Hij is overtuigd van de traumatisering van zijn cliënt en gelooft zijn verhaal. Zijn behandeling bestond tot dusver uit steunende en inzichtgevende gesprekken en medicatie. De huidige situatie vervult hem met machteloze woede.
Dat het verhaal van de man niet geloofd wordt in zijn asielprocedure, kan de psycholoog zich eigenlijk niet voorstellen. Hij voelt ook schaamte over hoe Nederland omgaat met deze man. Mede daarom vraagt hij zich af of hij niet iets kan doen, zoals zijn inzicht in deze zaak per brief kenbaar maken aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), die over het asielverzoek beslist, of de man helpen met onderduiken. Toch voelt hij ook dat hij dan misschien zijn professionaliteit te buiten gaat.
Formeel zal informatie van een behandelaar geen invloed hebben op de oordeelsvorming over een asielverzoek. De IND vindt medische informatie niet van belang voor de beoordeling van de asielaanvraag. Ook al is het bekend dat pijnlijke en emotioneel beladen informatie vaak niet of slechts gedeeltelijk verteld wordt, en soms pas veel later, bijvoorbeeld in een behandelcontact, aan de orde komt. Pas bij klachten die terug te voeren zijn op traumatische ervaringen kan blijken dat iemand wel degelijk lijdt aan de gevolgen van vervolging en geweld. Desondanks houdt de IND geen rekening met medische informatie. Een enkele keer doet een rechter in een beroepszaak dit wel.
Wel kunnen er medische redenen zijn om iemand niet het azc of Nederland uit te zetten. Er moet dan sprake zijn van een noodsituatie (bijvoorbeeld een psychiatrische opname) of het niet kunnen reizen. Ook kan iemand een verblijfsvergunning vanwege een medische behandeling aanvragen. Deze kan worden toegekend als iemand een medisch noodzakelijke behandeling moet ondergaan en niet in zijn eigen land behandeld kan worden. De medisch adviseur van de IND beoordeelt dit. In de praktijk beslist deze vaak dat asielzoekers in het land van herkomst behandeld kunnen worden.
Een behandelaar die overtuigd is van de noodzaak van behandeling kan overwegen zijn professionele zorgen kenbaar te maken aan de advocaat van de asielzoeker. Dit kan via de cliënt, telefonisch, of, indien de advocaat daarom vraagt, schriftelijk in antwoord op vragen. De advocaat kan beoordelen hoe hij deze informatie gebruikt in de procedure en aandringen op beoordeling door bovengenoemde medisch adviseur. De advocaat beslist hoe hij de informatie in de procedure gebruikt en kan aandringen op beoordeling door bovengenoemde medisch adviseur.
Voor de psycholoog is het van belang door intercollegiaal overleg na te gaan of hij binnen professionele kaders blijft en zich niet te zeer laat meeslepen in het verstrekken van informatie.
Geen enkele behandelaar wil met dit soort schrijnende situaties worden geconfronteerd. Maar het valt helaas te verwachten dat dit steeds vaker wel zal gebeuren.
· Kunnen onduidelijke lichamelijke klachten bij een vluchteling verband houden met vroegere marteling?
Een huisarts ziet regelmatig een vluchteling (A-status) met schouderklachten op zijn spreekuur. Onderzoek door een orthopedisch chirurg heeft geen afwijkingen aangetoond. De man krijgt fysiotherapie en gebruikt vaak pijnstillers. De man heeft ook last van slaap- en concentratiestoornis. De huisarts weet dat de man gemarteld is, maar vraagt zich af of en hoe hij hierover met hem moet praten.
Bij chronische onbegrepen lichamelijke klachten bij gemartelde vluchtelingen is het belangrijk te kijken of er een relatie is tussen de klacht en de ondergane martelingen. Indien er een (begin van) een vertrouwensrelatie is kan je als huisarts daarover praten, mits je voldoende tijd neemt en de taalbarrière niet te groot is. Zo nodig moet een (telefonische) tolk geregeld worden. Probeer de bredere context van de schouderklachten te bespreken, zoals de aard en lokalisatie van de martelingen, eigen verklaring van de klachten, variatie in de pijn en waaraan deze gerelateerd is, en bijkomende psychische klachten. Besteed veel aandacht aan uitleg over beschadigingen bij martelingen die misschien wel littekens in de schouder geven, maar niet zijn op te sporen. Over de psychische klachten kan uitleg gegeven worden in termen van pijn en uitputting die met herinneringen samenhangen. Overweeg of medicatie geen positief effect zal hebben op de psychische en daaraan gekoppelde lichamelijke klachten. Verder is het wellicht nodig om hem naar het algemeen maatschappelijk werk of de Riagg te verwijzen.
· Hoe benader je als maatschappelijk werker een slecht functionerend vluchtelingengezin?
Een maatschappelijk werker begeleidt een Angolees gezin waaronder een jongen van negen jaar. Hij is vier jaar in Nederland met zijn twee oudere broers en zijn vader en moeder. De school maakt zich zorgen over zijn verzorging thuis, zijn angstige en teruggetrokken gedrag en om dat hij regelmatig niet verschijnt. Vader ziet geen groot probleem. Hij vindt dat de jongen slecht naar hem luistert. Moeder maakt zich zorgen en vindt dat hij ziek is. De maatschappelijk werker vraagt zich af of het hier om individuele problemen van de jongen gaat of dat er meer aan de hand is.
Voor het beantwoorden van deze vraag is het in kaart brengen van de geschiedenis van de gezinsleden, de draagkracht en de onderlinge afstemming van de ouders, en initiatieven vanuit de school een eerste vereiste. Zaken uit het verleden kunnen een normaal functioneren van ouders en kinderen in de weg staan. Een slecht slapend kind of ouder kan het hele gezin ontregelen. Een angstige of depressieve ouder is soms niet bij machte de ouderlijke taken en plichten te vervullen. Soms is het ontbreken van de sociale steun en het verblijf in een vreemd land de belangrijkste ontregelende factor.
Het blijkt dat vader slecht slaapt en veel last heeft van nachtmerries over zijn martelervaringen in Angola; hij is vaak prikkelbaar tegen vrouw en kinderen. De moeder vindt dat haar man zo anders is geworden sinds hij gevangen heeft gezeten. Zij is gevlucht met haar zonen, haar man had zich pas twee jaar later bij hen gevoegd. De jongste zoon is getuige geweest van de arrestatie van zijn vader en het daarbij gebruikte geweld tegen zijn moeder. Sindsdien is hij angstig. Hij hangt erg aan zijn moeder.
Een voorlopige conclusie luidt dat zowel vader als zoon getraumatiseerd lijken te zijn. Door de gebeurtenissen zijn de verhoudingen binnen het gezin veranderd. Vader zou uitleg moeten krijgen over de gevolgen van de martelingen en informatie over de hulp die hij kan krijgen bij het verwerken van zijn ervaringen. Voor de jongen is het belangrijk om aandacht te schenken aan zijn angsten en wat de ouders kunnen doen om deze te verminderen. Overleg met de ouders en verwijzing naar schoolarts of Bureau Jeugdzorg lijken op zijn plaats Het is ook zaak moeder in het oog te houden Zij lijkt de drijvende kracht in het gezin te zijn.
Samen met andere hulpverleners kan het maatschappelijk werk veel bereiken.