| Nederland en Frankrijk gaan nauwer samenwerken aan het uitbannen van vrouwelijke genitale verminking. Dat is een van de resultaten van het werkbezoek van staatssecretaris Bussemaker aan Frankrijk. De directeur van Pharos, M. van Berkum, nam deel aan dat werkbezoek, naast ambtenaren van het ministerie van VWS, Justitie en het OM (onder wie de procureur generaal mr. H.W. Samson-Geerlings). Frankrijk is zo’n 20 jaar langer actief in de bestrijding van VGV dan Nederland. Op een aantal terreinen lopen de Fransen voor en valt er te leren van de hun ervaringen. Dat was ook de aanleiding tot het werkbezoek. Het bezoek viel samen met de internationale VN-dag voor uitbanning van geweld tegen vrouwen en de presentatie van nationale actieplannen in 15 Europese landen voor de aanpak van vgv.
Tijdens een ontmoeting met haar Franse ambtgenoot Valerie Létard heeft J. Bussemaker voorgesteld om samen met Frankrijk tijdens het EU-voorzitterschap van Zweden in 2009 gezamenlijk de bestrijding van vgv op de Europese agenda te zetten. Dit voorstel werd door de Franse minister van harte ondersteund.
De staatssecretaris heeft een bezoek gebracht aan een van de PMI’s (vergelijkbaar met de Nederlandse consultatiebureaus) in St. Denis, een voorstad van Parijs, waar veel mensen uit de risicogroepen wonen. De PMI-artsen zijn erg alert op de preventie en het signaleren van (dreigende) verminking. Zij onderzoeken baby’s en kinderen allemaal lichamelijk, ook genitaal, en bespreken actief het verbod op vgv, de gevolgen ervan en het feit dat men strafvervolging riskeert als men de verminking toch uitvoert. 80% van alle ouders bezoeken het PMI. Voor degenen die niet komen opdagen kan dat consequenties hebben voor hun uitkering. Deze werkwijze heeft ertoe geleid dat de hulpverleners in St, Denis van het PMI nauwelijks meer vgv bij jonge kinderen tegenkomen.
Dat geldt niet voor meisjes vanaf 6 jaar. Het aantal besnijdenissen dat uitgevoerd wordt in de landen van herkomst tijdens een vakantie of bezoek aan familie stijgt. Onderwijzers spelen in de preventie en het signaleren hiervan een erg belangrijke rol, aldus de Fransen.
Franse artsen laten ouders een ‘attest’ ondertekenen voor ze op vakantie gaan naar hun herkomstland, waarin ze verklaren hun dochter weer ongeschonden terug te laten keren naar Frankrijk en bij terugkomst hun dochter lichamelijk te laten onderzoeken. Veel ouders ervaren dit als grote steun om de druk van familie in hun herkomstland te weerstaan. Nagegaan zal worden of een dergelijke handelwijze ook in Nederland ingevoerd kan worden.
In opleidingen van Franse artsen is het onderwerp VGV verplicht opgenomen. Nederland wil met artsenopleidingen hier ook afspraken over maken.
Hulpverleners zijn in Frankrijk verplicht melding te maken van VGV bij de procureur. Het heeft tijd gekost om artsen hierin mee te krijgen. Na een melding wordt het betrokken meisje onderzocht en gaat de politie in gesprek met de ouders. Indien er duidelijke aanwijzingen zijn voor een uitgevoerde VGV volgt een strafzaak. In Frankrijk komen de meeste meldingen van hulpverleners/professionals. Nederland wil de meldingsbereid van professionals en ook de risicogroepen vergroten. Hoe dat te doen zal Pharos in 2009 samen met FSAN, de koepel van Somalische organisaties in Nederland nagaan. In de samenwerking met FSAN en andere zelforganisaties van risicogroepen loopt Nederland op haar beurt voor op Frankrijk en andere Europese landen.
Waar Frankrijk ook verder in is dan wij, is de nazorg, de zorg voor reeds besneden vrouwen. De Nederlandse delegatie sprak met chirurgen en gynaecologen die operaties uitvoeren om de schade waar mogelijk te herstellen.
Besneden vrouwen krijgen allemaal het aanbod voor een open consult, gericht op medisch en psychisch onderzoek en begeleiding. Veel vrouwen maken hier dankbaar gebruik van. Men benadrukte dat de psychische en seksuele ondersteuning minstens zo belangrijk was als de medisch-lichamelijke. Deze consulten zijn zelfs opgenomen in de ziektekostenverzekering.
Pharos voert in opdracht van VWS een project uit, waarin nagegaan wordt hoe we in Nederland de medische en pychische nazorg voor besneden vrouwen kunnen opzetten. De Frans ervaringen worden daarin meegenomen.
De staatssecretaris, Pharos en ambtenaren waren onder de indruk van de betrokkenheid en inzet van de hulpverleners die zij gesproken hebben. De samenwerking met Frankrijk krijgt ongetwijfeld een vervolg, zowel op kennisuitwisselings- als politiek niveau. |