Nieuw in Nederland, wat betekent dat?

De reis van de nieuwkomers in de klas is vaak nog in volle gang, want samen met hun ouders/verzorgers zijn ze nog bezig hun thuis te vinden. Die reis beïnvloedt de sociaal-emotionele ontwikkeling van je leerlingen sterk. Aandachtspunten hierbij zijn eventuele (Nederlandse) taalachterstanden, mogelijke traumatische gebeurtenissen, (tijdelijk) gebroken gezinnen en de verwerking van de stress die migratie met zich meebrengt, zoals financiële zorgen en zorgen om de toekomst. De leerlingen hebben soms schokkende dingen meegemaakt en daarom is het extra belangrijk dat er gewerkt wordt aan veiligheid, verbinding en veerkracht. Pas nadat leerlingen zich veilig voelen zijn ze in staat om te leren.

Gevoel van ontheemding

In het migratieproces zijn drie fases te onderscheiden en de eerste fase wordt de ‘separatie- of onthechtingsfase’ genoemd. Hierbij verlaat het individu de voorafgaande positie of rol binnen de voor hem bekende sociaal-culturele structuur, dit geldt voor zowel volwassenen als kinderen. De ene leerling komt naar Nederland vanwege een gezinshereniging, een ander omdat zijn of haar ouders arbeidsmigrant zijn en sommige leerlingen zijn alleen gekomen, als AMV (Alleenstaande Minderjarige Vluchteling). Wat zij met elkaar gemeen hebben is dat ze onthechting ervaren en ontheemd zijn. Ze moesten afscheid nemen van mensen en dingen die hen dierbaar waren. Meestal zijn het de ouders of familie die de keuze maakten om te vertrekken en lang niet altijd hebben de kinderen daar iets over te zeggen gehad. Klimaat, voedsel, huisvesting, familie, vrienden, onderwijs en vrije tijd; migratie heeft invloed op al deze aspecten. Deze fase kan beïnvloed worden door onzekere omstandigheden zoals het niet weten of je hier mag blijven, en of en wanneer je weer terug gaat naar je land van herkomst.

Opnieuw beginnen

Na de separatie volgt een liminele periode waarbij de leerlingen zich in een positie bevinden waarin zij zichzelf ervaren als ‘noch hier en noch daar’. Dit wordt de ‘liminele fase’ genoemd waarin leerlingen het gevoel hebben dat zij in een marginale tussenpositie zitten. Het is een transitiefase; leerlingen moeten wennen aan een nieuw land met andere culturele en sociale structuren. Een nieuwe taal leren en in een nieuw land wonen, dat voelt soms aan als helemaal opnieuw beginnen. Veel kennis die de leerlingen van huis uit hebben over het sociale verkeer, lijkt in eerste instantie van weinig nut in de nieuwe omgeving. Gewoontes, taken en rollen zijn plots veranderd. Bijvoorbeeld de sociale codes tussen kinderen en volwassenen en hoe leerlingen en docenten, mannen en vrouwen met elkaar omgaan zijn hier anders. Dit terwijl jouw leerlingen, net zoals alle jongeren er het liefst gewoon bij willen horen, niet willen opvallen als ‘anders zijn’.

Wennen aan een nieuw land gaat dan ook vaak met ups en downs. Hoewel Nederland deze jongeren mogelijkheden biedt die ze in het herkomstland niet (meer) hadden, lopen ze ook tegen belemmeringen op. Bijvoorbeeld de taal, de eisen die binnen het reguliere onderwijs gesteld worden, maatschappelijke segregatie en discriminatie. Een voorbeeld is dat een leerling kan verzuchten terug naar het land van herkomst te willen, ondanks dat er nog oorlog of onderdrukking is. Dit gaat dan vaak meer om heimwee, een gevoel van vroeger terug willen. De eigen taal kunnen spreken, de eigen vrienden om zich heen te hebben. Soms behoeft dat ondertiteling (niet zozeer met woorden als separatie, limineel en integratie) maar vooral ook erkenning en daarin gezien worden. Bovendien vermengt de liminele kwetsbaarheid van de migratie zich bij adolescenten met de liminele kwetsbaarheid van het volwassen worden.

Moedertaal en vaderland

Dat leerlingen hun land moeten verlaten en een nieuwe taal moeten leren betekent voor hen dat ze ook iets moeten loslaten of kwijtraken, dat er een nieuwe verhouding ontstaat tot hun familiegeschiedenis. Ze gaan een grote psychologische ontwikkeling door die Nederlandse kinderen niet meemaken. De termen moedertaal en vaderland verwijzen namelijk naar de symbolische bindingen met je familie en je geschiedenis. De taal die een kind van de moeder leert, is de taal waarmee het met de moeder of andere verzorgers verbonden is. De taal zelf roept herinneringen op. Het land waar het kind opgroeide is het land van de vader en voorvaderen. Die bindingen los (moeten) laten is in psychologische zin te vergelijken met het zich los moeten maken van de beide ouders. Migrantengroepen doen hier meerdere generaties over, waarbij ze winnen en verliezen.

Familie is voor veel van deze leerlingen een bron van steun, maar families zijn vaak incompleet en/of men woont te ver weg. Familie kan, zeker bij vluchtelingen, op veel verschillende plaatsen in de wereld wonen. Soms hebben leerlingen voor hun komst naar Nederland eerst lang bij familieleden gewoond, bijvoorbeeld bij grootouders of ooms en tantes. Ze kunnen erg gehecht zijn geraakt aan deze familieleden, die hen soms daadwerkelijk hebben opgevoed. Veel van hen missen hun familieleden, bijvoorbeeld hun opa’s en oma’s.

Re-integratie

Uiteindelijk treedt voor de meeste nieuwkomersleerlingen een periode van re-integratie op. In deze ‘re-integratie fase’ wordt de betreffende persoon met een hernieuwde sociale positie of rol weer in de sociaal-culturele structuur ingebed.

Wat kun je doen?

Het belangrijk om te beseffen dat je vaak geneigd bent te werken vanuit de re-integratie fase terwijl veel leerlingen zich nog lange tijd in de liminele fase bevinden. Geef hen hiervoor de ruimte en help ze in de re-integratie fase te komen. Deze fases zullen voor elke leerling in een ander tempo verlopen. Voor leerlingen ben jij een belangrijke connectie (‘social connection’) naar de Nederlandse samenleving en je kan een rol spelen bij het krijgen van een nieuwe plek en het aanpassen aan een totaal nieuwe situatie. Maar hoe doe je dit met een grote diversiteit aan leerlingen, waar de je de hele dag moet schakelen, en waar al blij bent wanneer leerlingen aan leren toekomen?

De kunst is dat je je bewust bent van je mogelijkheden,  je rol en de kansen die zich voordoen gedurende de dag en daarop inspeelt. Je kan in je benadering van leerlingen en wanneer je oog hebt voor wat er al is soms net iets versterken of uitlichten zonder dat dit veel tijd kost.

  • Veerkracht versterken
    Je kan bijdragen aan meer kennis en vaardigheden die leerlingen kunnen gebruiken in deze nieuwe context. Je kan ook helpen bij het opdoen van nieuwe contacten, sociale relaties die hen verder kunnen helpen. En tot slot kan je ervoor zorgen dat leerlingen via de school het gevoel hebben dat ze erbij horen. Dat heet ook wel een sense of belonging. Dit alles versterkt de veerkracht en helpt settelen in een nieuwe samenleving.
  • Kennis en vaardigheden aandragen
    Je bent een belangrijke informatiebron over de Nederlandse samenleving als geheel. Hoe werkt het hier, hoe gaan mensen met elkaar om, wat zijn mogelijk verschillen met je land van herkomst? Je kan daar tijdens je lessen bijvoorbeeld aandacht aan geven. En je kan stimuleren dat leerlingen met elkaar praktische kennis en tips uitwisselen.
  • Help bij het krijgen van sociale bruggen in Nederland
    Jonge nieuwkomers hebben aansluiting met peers van het gastland (social bridges) nodig om nieuwe kennis en vaardigheden op te doen die zij nodig lijken te hebben voor het aanpassen aan de nieuwe situatie. School is een plek waar deze social bridges kunnen ontstaan.  Leerlingen kunnen Nederlanders ontmoeten en hun dagelijkse leven met elkaar te delen en te bouwen aan wederzijds vertrouwen.
  • Heb oog voor de sociale banden met mensen uit land van herkomst
    Leerlingen hebben uiteraard ook vaak sociale steun van familie en lotgenoten (social bonds). Soms is er veel contact via social media met vriendjes die in een ander land wonen. Die verbondenheid en dat contact met hun mensen, de cultuur en religie van het thuisland helpt bij het aanpassen aan de nieuwe situatie. Je kan bijvoorbeeld eens meekijken tijdens een videogesprek of zwaaien naar familie waardoor je laat zien dat je betrokken bent.
  • Versterken van het gevoel van belonging
    Je bent ook een sociale connectie voor de leerling: je kan helpen van school een fijne plek te maken waar leerlingen zichzelf mogen zijn en waar ze onvoorwaardelijk geaccepteerd worden in wie ze zijn. Onderscheid maken tussen gedrag en wie iemand is is dan erg belangrijk. Je kan ook het lotgenootschap tussen leerlingen helpen vormgeven. Ook dat helpt uiteindelijk juist bij het proces om goed te landen.

Bronnen

  • Welkom op School, Bram Tuk en Milleke de Neef, Pharos 2015
  • Wereldreizigers, Bram Tuk en Ilse Vlietstra, Pharos 2017