Factsheet

Kinderen uit Midden- en Oost-Europese landen

De uitbreiding van de Europese Unie leidt tot een toename van arbeidsmigranten. Zij komen vooral uit Midden- en Oost-Europese landen (MOE-landen). Sommige migranten komen alleen, anderen brengen hun partner of kinderen mee. Maar hoe gaat het met de kinderen uit deze MOE-landen? En wat kun je doen om ze zo goed mogelijk te ondersteunen?

Migratie is een ingrijpende ervaring. Al zeker voor een kind – hoe veerkrachtig hij of zij ook is. De ouders van kinderen uit MOE-landen zijn soms ongeschoold. Ook doen zij vaker slecht betaald werk, en zijn ze slecht gehuisvest. Tot slot missen deze ouders vaak steun van familie en vertrouwde buren. Daarom maken we ons zorgen over het welzijn, de gezondheid en toekomstmogelijkheden van kinderen uit MOE-landen.

De eerste grote groep arbeidsmigranten die zich in Nederland vestigde kwam uit Polen. Met hen volgden steeds meer kinderen. Vanaf dat moment zijn er signalen dat het opvoeden en opgroeien van deze kinderen niet altijd goed gaat. Signalen die er nu zijn over bijvoorbeeld Bulgaarse en Roemeense kinderen;

  • Veel kinderen uit MOE-landen, vooral uit Bulgarije, lopen hele dagen op straat omdat beide ouders werken.
  • Groepen nieuwkomers zijn vaak met teveel mensen in een woning gehuisvest. Een tijdje geleden kwamen tijdens de ontruiming van één appartement 25 personen tevoorschijn, onder wie veel kinderen.
  • Basisscholen zien het aantal Bulgaarse kinderen toenemen in de herfst, na de kerstvakantie komt soms maar de helft weer terug.
  • Kinderen in Bulgarije gaan pas op 6 jarige leeftijd naar school. Veel ouders vinden 4 jaar te jong om naar school te gaan.
  • Vaak komen kinderen op school met een achterstand. Deze achterstand gaat verder dan alleen taal.
  • Sommige scholen geven aan dat ze te maken hebben met pubers die grensoverschrijdend seksueel gedrag vertonen.
  • Kinderen hebben vaak overgewicht en/of een slecht gebit.

Bij Pharos vinden we het belangrijk dat iedereen gezond op kan groeien. Iedereen moet een gelijke kans krijgen op een goede gezondheid, vanaf een jonge leeftijd. Daarom besteden we in deze infosheet meer aandacht aan deze onderbelichte groep kinderen. We vertellen je meer over de huidige feiten en cijfers, en wat je als (zorg)professional kunt doen om de situatie te verbeteren.

Feiten en cijfers

70.000

Er zijn ruim 70.000 kinderen uit MOE-landen in Nederland.

Het aantal arbeidsmigranten – met en zonder kinderen – neemt toe. In 2019 zijn er bijna vijf keer zoveel ingeschreven inwoners uit MOE-landen[1] dan in 2005. Het aantal kinderen uit MOE-landen zal naar verwachting blijven stijgen. Er zijn nu ruim 70.000 kinderen in Nederland. Maar niet alle arbeidsmigranten schrijven zichzelf en hun kinderen in bij de Basisregistratie Personen (BRP). Er is erg weinig bekend over de gezondheid van kinderen uit MOE-landen. Professionals maken zich zorgen, omdat sommige kinderen in slechte omstandigheden opgroeien.

[1] Polen, Hongarije, Tsjechië, Slowakije, Estland, Letland, Litouwen, Slovenië, Roemenië, Bulgarije en Kroatië.

Wat biedt Pharos?

Op deze pagina bundelen we de huidige kennis over kinderen uit MOE-landen. Deze pagina vertelt je over de achtergrond van deze kinderen, en wat je als organisatie kunt doen om hen en hun ouders te helpen.

We hebben nog veel meer kennis te delen over kinderen uit MOE-landen. Deze informatie past niet allemaal op deze pagina. Daarom werkten we dit uitgebreide rapport uit. In dit rapport vind je nog meer informatie over de groepen kinderen uit MOE-landen, hun gezondheid, en opvoed- en onderwijssituatie.

De kennis op deze pagina en in het rapport is voornamelijk gebaseerd op een reeks van onderzoeken. Deze onderzoeken zijn gestart na de komst van grote groepen Polen. Ook hebben we beperkt gebruik gemaakt van webinformatie en journalistieke artikelen. Naast deze pagina en het rapport bieden we ook bredere informatie over gezond opgroeien op onze themapagina.

Wat kun je doen om kinderen uit MOE-landen en hun ouders beter te bereiken, en te helpen?

Deze kwetsbare kinderen en hun ouders moeten allereerst in beeld zijn. Alleen dan kun je beleid maken dat gericht is op gezondheid, welzijn en onderwijs. Hieronder vertellen we je meer over een aantal mogelijke stappen om de groep in beeld te krijgen en preventieve activiteiten te organiseren.

Doe een eerste verkenning

Meestal komt er iemand/of een organisatie met een signaal dat er meerdere kinderen uit een bepaald MOE-land gezien worden. Op school, of bij de JGZ. Vraag bij organisaties en scholen in jouw wijk of zij deze kinderen ook zien, hoeveel het er zijn, en of ze problemen zien bij deze kinderen of bij hun ouders. Vraag dit ook na bij de huisarts bij de politie en bij de jeugdgezondheidszorg.

Deel kennis op een netwerkbijeenkomst

Nodig alle betrokken partijen uit voor een netwerkbijeenkomst, waar iedere partij zijn eigen kennis over deze kinderen inbrengt. Ook kun je hier afspraken maken worden over te nemen stappen. Probeer met zoveel mogelijk informatie het plaatje van deze kinderen compleet te maken. Hoeveel zijn er, waar wonen ze, gaan ze naar school, hoe is het met hun gezondheid? Doe daarbij geen aannames over deze kinderen maar check bij alle partijen wat ze zien en weten, en vraag vooral door. Als ouders geen adres willen opgeven is dat vaak een teken dat ze illegaal wonen.

Maak samen een plan

Breng in kaart wie wat al doet. Wat moet er daarnaast gebeuren en wie gaat dat doen? Hoe kom je beter in contact met deze groep?

Vorm een kerngroep

Vorm een kerngroep uit de deelnemers aan de netwerkbijeenkomst. Deze kerngroep gaat het plan uitvoeren. De leden van de kerngroep hebben daarvoor wel het mandaat van hun organisaties nodig. Zo kunnen zij  acties uit voeren en doorpakken. Laat één persoon de coördinerende rol op zich nemen om te voorkomen dat alle partijen afzonderlijk van elkaar werken. Zorg dat in deze kerngroep de volgende partijen aanwezig zijn:

  • De gemeente;
  • De politie;
  • Het onderwijs;
  • De hulpverlening (wijkteam, CJG, JGZ).

Organiseer ongeveer drie keer per jaar de grote netwerkbijeenkomst, om input te genereren voor de kerngroep (vaak is de situatie heel vloeiend), maar waar ook de kerngroep vertelt over de uitgevoerde acties. Het is heel belangrijk dat de kerngroep en de netwerkgroep verbonden blijven en informatie uitwisselen.

Waar moet je rekening mee houden?

Bij het ondernemen van bovenstaande stappen zijn er verschillende zaken waar je nog rekening mee kunt houden om meer succes te boeken. Deze lichten we hieronder toe.

Taal

Ga na welke taal de kinderen spreken, en zoek een professional die dezelfde taal spreekt en ook de Nederlandse situatie kent. Laat deze professionals op vaste tijdstippen langsgaan op plaatsen waar de doelgroep bijeenkomt bijvoorbeeld een (taal) school[1].

Zo blijken veel Bulgaren uit een bepaalde regio te komen waar ze ook Turks spreken. Een Turks sprekende professional kan dan hulp bieden, maar moet wel eerst een vertrouwensband opbouwen met de groep. Neem daar voldoende tijd voor. Bulgaren afkomstig uit eenzelfde regio blijken veel onderlinge contacten te hebben. Maak daar gebruik van door bijv. een WhatsApp groep te maken waarin mensen nuttige informatie kunnen uitwisselen.

[1] Met taalschool wordt de locatie bedoeld waar migranten hun eigen taal onderwijzen.

Inschrijven in de BRP

Overweeg te stimuleren dat arbeidsmigranten zich in – (en uit-) te schrijven in de Basis Registratie Personen (BRP). Zoals de gemeente Westland dit doet via werkgevers.

Gebruik de school als een centraal punt

Poolse ouders (en vermoedelijk ook ouders uit andere MOE-landen) zijn gewend op school deskundigheid rond ontwikkeling en opvoeding te vinden. Ook zien zij de docenten als autoriteit en deskundige. Daarom is het schoolgebouw een goede locatie voor informatiebijeenkomsten. Ook taalscholen zijn daar bruikbaar voor. De school is in de ogen van Poolse ouders een neutrale plek. Zij verwachten veel van de school. Ze zijn gewend aan advisering op school.

Er zijn positieve ervaringen met het stationeren van JGZ medewerkers op nieuwkomersscholen. Zij zien daar ook kinderen die niet ingeschreven zijn in de BRP en dus niet via de gemeente bekend zijn bij de JGZ. Deze kinderen worden dan eerder gezien door de JGZ, waardoor problemen bij deze kwetsbare kinderen eerder in beeld zijn. Ook werken school en JGZ goed samen. Dit verbetert de ondersteuning van kinderen en ouders . De JGZ moet hier wel voor gefaciliteerd worden. Als de JGZ een kind ziet, moet het gelijk informeren naar het bestaan van broertjes en zusjes.

Gebruik school als ingang voor ouderondersteuning: veel ouders willen graag beter worden voorgelicht over het Nederlandse onderwijssysteem en over ongeoorloofd verzuim.

Ook opvoeden in Nederland, vooral bij pubers, is een belangrijk thema. Hier kan de school vooral faciliterend zijn. Zelfs met alleen een faciliterende en toehoordersrol verbeteren scholen ook de relatie met de ouders. Houd daarbij wel rekening met arbeidstijden en specifieke perioden dat ouders druk zijn, bijvoorbeeld het oogstseizoen.

Vertel ouders ook dat kinderen van migranten uit Midden- en Oost-Europa, net als andere kinderen met een taalachterstand, mogen deelnemen aan voor- en vroegschoolse educatieprogramma’s. Essentieel bij deze bijeenkomsten is dat er sprake is van tweerichtingsverkeer, nodig ouders uit om hun ervaringen en opvattingen te delen. Probeer ook analfabete ouders uit te nodigen, ook al kost dat vermoedelijk extra moeite. Voor dergelijke bijeenkomsten zijn (informele) tolken wel gewenst.

Sleutelpersonen

Zoek naar sleutelpersonen binnen de migrantengroep. Dit kunnen mensen zijn die bijvoorbeeld ook Engels of Duits spreken. Zij kunnen informatie met de groep delen, maar ook hun behoeften doorgeven. Een sleutelpersoon moet wel het vertrouwen van de anderen hebben. Kijk daarbij vooral breed: een (Bulgaarse) supermarkteigenaar of groenteman in de buurt kan ook goed dienen als informatiebron. Als er nog geen sleutelpersoon is, probeer ze dan op te leiden. Meer informatie vind je op https://www.pharos.nl/sleutelpersonen/.

Seksuele opvoeding

Als het om seksuele opvoeding gaat heeft Nederland een opvallend liberale manier van omgaan met dit onderwerp. Dat is meestal wennen voor ouders en kinderen die ‘van elders’ komen. Bespreek met ouders hun opvattingen en zorgen. Een betrouwbare website die ouders, voorlichters en jongeren goede informatie in de eigen taal biedt is https://www.zanzu.nl. Deze site is niet vanzelf bekend, maar biedt goede voorlichting  in Pools, Roemeens en Bulgaars.

Kijk over gemeentegrenzen en maak gebruik van bestaande kennis

Kijk over gemeentegrenzen. Speelt een gelijksoortige problematiek ook in andere gemeenten? En wat is er landelijk bekend over deze groepen? Hiervoor kun je bijvoorbeeld terecht bij kenniscentra als KIS, Movisie en Pharos. Ook kun je kijken  bij onderzoeksinstituten als het Sociaal Cultureel Planbureau en het Centraal Bureau voor Statistiek.

Omdat het om nieuwe groepen migranten gaat is kennis vaak nog beperkt. Daarom is het voor lokaal beleid belangrijk om die verschillende perspectieven ook lokaal in beeld te krijgen en mee te nemen. Onderzoeksresultaten over bijvoorbeeld het opvoeden van Poolse kinderen gaan niet vanzelfsprekend op voor andere groepen. Maar dergelijke bevindingen kunnen wel een richting geven bij het in gesprek gaan met (groepen) ouders uit andere landen.

Meer achtergrondinformatie vind je in ons rapport “Zorgen om kinderen uit Midden- en Oost Europese EU-landen”. Als je vragen hebt kun je contact opnemen met Anna de Haan.